Ode aan oude bomen

Bomen worden doorgaans na een jaar of tachtig gekapt omdat ze als een gevaar worden gezien. Terwijl ze met de juiste zorg zo mooi oud kunnen worden, is de boodschap in twee nieuwe boeken.

 

J’ørn Copijn wilde imker worden, maar het liep anders. Tijdens zijn opleiding in Duitsland in de jaren zestig zag hij boomverzorgers werken aan behoud van een eeuwenoude linde bij kasteel Fürsteneck in de deelstaat Hessen. Hij vond het fascinerend. Copijn gaf zijn bijenstudie op en schreef zich in voor een opleiding tot boomchirurg. Niet veel later haalde hij zijn broer Allrik over om dezelfde studie te doen.

 

Ze waren de eersten in Nederland. En het was geen slechte beslissing. Een halve eeuw later blikt J’ørn Copijn, 75 nu, in een uitbundig geïllustreerd boek terug op vijftig jaar boomverzorging in Nederland. Copijn, afkomstig uit een geslacht van boomkwekers en tuinarchitecten, geldt als de pionier van dit groene vakgebied. Inmiddels werken in Nederland in deze bedrijfstak duizend mensen.

 

Samen met zijn vrouw Lia en met Maria Laméris, ondernemer in erfgoed projecten, schreef Copijn ‘Het Groene Goud’, een familiekroniek vol verhalen, waardevolle adviezen en mooie feiten over oud, levend hout. “Zoals de zon het hemelse goud is, zijn bomen het aardse goud”, schrijft Copijn. De liefde zit diep.

 

Jaren terug nam hij van een reis door Californië een stukje hout van een sequoia mee naar huis. “Met een beetje aarde, water, lucht en licht, groeiden er in korte tijd wortels uit het hout. Uit hout, het was geen zaadje! Nu, na twaalf jaar, is de boom al vijf meter hoog. Dat is toch een wonder? Over de groeikracht van bomen zal ik me altijd blijven verbazen.”

 

Voor Copijn begon het vijftig jaar geleden in Nederland met de ‘1000-jarige linde’ bij boerderij Levendaal in Achterberg. De boom is overigens geen 1000 maar meer waarschijnlijk 800 jaar oud. Althans dat is de schatting van Copijn, anderen schatten de leeftijd lager in. Maar de linde is zonder twijfel een van de oudere bomen van Nederland.

 

Eens stond in Achterberg, op de grens van Utrecht en Gelderland, het kasteel Levendaal. Het 14de-eeuwse gebouw werd in 1820 gesloopt, de grachten gedempt. De oude linde was altijd blijven staan, de boom overleefde in de oorlogsdagen van mei 1940 het geweld van een voltreffer op de naastgelegen boerderij.

Hoewel in het koopcontract was vastgelegd dat de linde nooit mocht worden gekapt, op straffe van een destijds nogal fikse boete van 3000 gulden, besloot de gemeente Rhenen in 1965 toch een kapvergunning af te geven voor de monumentale boom. Er was een dikke tak afgebroken. De toenmalige eigenaar wilde van de kwijnende linde af, die midden op zijn boerenerf aardig in de weg stond.

 

De stam was door de eeuwen heen volledig uitgehold, delen van de stam hadden geen verbinding meer met elkaar. De boom dreigde uiteen te vallen, omdat de takken te zwaar waren geworden. ‘Kaprijp’, oordeelde de gemeente. Binnen de kortste keren stond heel Achterberg op de barricaden. Er verschenen krantenberichten over het dreigende einde van de oude linde.

 

De berichten bereikten ook J’ørn Copijn, die in Duitsland bij een bedrijf in boomverzorging werkte. Copijn reisde naar Nederland, bekeek de boom en stelde een reddingsplan op. Staatsbosbeheer bleek bereid de kosten te betalen. Copijn: “De boom bewoog alle kanten op. Er zat nog een uitkijkpost,een kraaiennest, van de Duitsers in. Ik heb een behandelingsplan opgesteld en toen heb ik materiaal van mijn Duitse werkgever letterlijk de grens over gesmokkeld om de boom te kunnen verzorgen.”

 

De hoge kroon van de linde werd drastisch teruggesnoeid, de hoofdtakken werden verankerd, de stamdelen met stalen stangen verzekerd, rotte delen werden weggesneden en via boorgaten in de grond werden organische meststoffen toegediend. Dat hielp goed.

 

Die linde van Levendaal staat er nog altijd prachtig bij met zijn stamomtrek van 7,5 meter. Deze boom was ooit het kleinste natuurgebied van Nederland, krap negen vierkante meter groot. Het onderhoud en de verzorging door Staatsbosbeheer werd in 1966 namelijk in een notariële akte vastgelegd. De linde was daarmee in z’n uppie twintig jaar lang een beschermd natuurreservaatje. In 1986 heeft het bedrijf van Copijn de verzorging van de oude linde overgenomen van Staatsbosbeheer, vanwege de bijzondere band van zijn firma met de bejaarde boom.

 

Begin

 

De redding van de linde in Achterberg markeert het begin van de boomrestauraties in Nederland. Voordien werden oude bomen vooral gekapt. Inmiddels zijn er in Nederland fraaie voorbeelden van gerestaureerde bomen.

Zoals de zomereik van Kasteel Doornenburg, minstens 800 jaar oud en nog behoorlijk vitaal, ondanks het feit dat er weleens vuurtjes zijn gestookt in de holle stam. Het is vermoedelijk een dingboom, waaronder in vroeger tijden recht werd gesproken. En de Kroezeboom in Fleringen, gemeente Tubbergen, zo’n 500 jaar oud. Deze zomereik diende waarschijnlijk als grensboom vanwaaruit akkers in percelen werden verdeeld. Of de dorpslinde bij het gemeentehuis van Oisterwijk, minstens 700 jaar oud, ook een boom waaronder

schepenen vroeger rechtspraken.

 

Ook bijzonder, de Koningslinde van Sambeek in Noord-Brabant bij Boxmeer. Copijn schat deze boom op 800 jaar. De volledig holle stam is bijna acht meter in omtrek. Binnen de stam is een volledige nieuwe stam gegroeid uit het bestaande wortelstelsel, een verschijnsel dat vaker te zien is bij holle bomen.

 

Deze linde zou volgens Copijn de oudste van Nederland kunnen zijn, hoewel er altijd discussie blijft over de leeftijd van stokoude bomen. Bomenkenner Bert Maes denkt dat de boom veel jonger is dan 800 jaar. Hij schat de leeftijd op 350 tot 500 jaar. Maar het is onmiskenbaar een taaie veteraan. Tijdens een hevige storm in 1901 verloor deze linde zijn complete kroon. De boom kreeg een herkansing en herstelde volledig. Copijn nam de boom in 1973 onder handen, nadat uit onderzoek door Staatsbosbeheer was gebleken dat de stokoude linde nog voldoende stabiel was om stormen te doorstaan.

 

In het boek van Copijn komt Jeroen Heindijk aan het woord. Hij is boomadviseur en gek op oude bomen. Hij organiseert reizen naar Groot-Brittannië en laat daar aan professionals zien hoe een eik die al honderden

jaren aan het sterven is, eruitziet. Daarvoor moet je naar het buitenland. “Hier zie je dat soort voorbeelden vrijwel niet. 1n Nederland krijgen boomverzorgers zelden nog de kans om boomveteranen te verzorgen. Bomen worden met 80 jaar afgeschreven en oudere bomen worden vooral als potentieel gevaar

gezien.”

 

Heindijk deelt zijn kennis graag. “Al jaren trek ik eropuit met kinderen, vooral van groep 6, rond 9 jaar. Telkens blijkt tijdens die tochten weer hoeveel de natuur met kinderen kan doen. Een keer was er een jongen met wie niemand iets wist te beginnen. Hij kwam uit een milieu waar het stoer is om in de gevangenis te raken. Tijdens de bostocht was hij zo onder de indruk dat hij vroeg: meester, hoe kan ik boswachter worden? Dat zijn kippevelmomenten.”

 

Speelplekken

 

Het is een boodschap die ook Hanna Hirsch van de Bomenstichting en bomenadviseur Annemiek van Loon willen uitdragen in hun boekje ‘Leven(de) Speelplekken’. Bomen hebben kinderen veel te bieden, aldus Hirsch en Van Loon. Bij de inrichting van speelplekken spelen bomen volgens hen nog een te ondergeschikte rol. Dat is jammer, vinden zij.

 

Oude bomen versterken het cultuurhistorische besef, aldus de auteurs. “Een oude boom is een levende schakel met het verleden. Onder monumentale bomen werd recht gesproken, ze vertellen een geschiedenis, over hoe de

wereld er vroeger uitzag en wat zich toen afspeelde.” Hirsch en Van Loon noemen als voorbeeld de Anne Frank-boom en ‘de boom die alles zag’ in de Amsterdamse Bijlmer, die na de vliegtuigramp in 1992 overeind bleef en een monument werd.

 

Ze schreven hun boek vooral voor bestuurders, architecten, aannemers, beleidsmakers in groen stedelijk gebied, gemeenten en schooldirecties. Hirsch en Van Loon geven informatie over de functie van bomen, groeiplaatsen,

verzorging en aanleg van een boomtuin. “Liefde voor bomen kun je niet vroeg genoeg leren. Daar hebben kinderen hun hele leven profijt van. Ze zullen bomen later met meer aandacht en respect behandelen.”

 

Meer gevoel voor bomen kan ook volwassenen worden geleerd, weet Van Loon. In haar woonplaats Epe lopen mede door haar zo’n vijftig vrijwillige bomenwachters rond, die burgertoezicht houden op een ingrijpende reconstructie van de Heerderweg, de lommerrijke toegangsweg tot het Veluwedorp. Provincie en gemeente kondigden vorig jaar aan dat er voor de kennelijk hoognodige verbreding 600 gezonde, oude bomen moesten worden gekapt. De bevolking liep te hoop. Na stevige protesten en aanpassing van het plan - onder druk van bewoners - hoeven er nog maar 225 bomen om.

De bomen die blijven zijn goeddeels door omwonenden ‘geadopteerd’, omdat er altijd een risico is dat ze toch het onderspit zullen delven bij de wegwerkzaamheden. Van Loon leerde vijftig dorpsgenoten hoe ze ‘hun’ bomen kunnen beschermen door tijdens de reconstructie toezicht te houden op de wegwerkers en grondverzetters die de weg overhoop gaan halen. Want bomen hebben ruimte nodig, een stuk grond ter grootte van de kruin van de boom moet vrij blijven van zware bouwmaterialen, bulten zand of stapels tegels, om de zuurstoftoevoer naar de wortels te waarborgen. Ze hebben de aannemer al gedwongen om een partij stoepranden die onder een boom waren geplaatst, weg te halen.

 

J’ørn en Lia Copijn, Marina Laméris: Het Groene Goud, 50 jaar boomverzorging

in Nederland. Uitg. Tast Projecten, gebonden, 319 p., 29,95 euro. (na 31-12-2016, 34,95 euro)

 

Hanna Hirsch en Annemiek van Loon: Leven(de) Speelplekken. Uitg.

Bomenstichting, gebonden, 110 p., 19,50 euro.

 

Joop Bouma

 

 

terug naar de pagina over

HET GROENE GOUD

Trouw 8-12-2016

Joop Bouwma